Hoe en wanneer moet er gesaneerd worden?
Wanneer saneren;
Wanneer melden bij het bevoegd gezag;
Welke rapporten moet ik met het bevoegd gezag overleggen;
Welke mogelijke saneringsvarianten zijn er.
Wanneer saneren:
Uit het eerste onderzoek (in de meeste gevallen een verkennend
bodemonderzoek) dat u op de locatie heeft laten uitvoeren blijkt dat de bodem
met één of meerdere stoffen is verontreinigd. Indien de tussenwaarde wordt
overschreden (½(streef- + interventiewaarde) is conform de Wet
bodembescherming het uitvoeren van een nader bodemonderzoek waarin de ernst
(omvang) en urgentie (risico's) van het geval van bodemverontreiniging
vastgelegd moet worden. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zijn de
volgende situaties mogelijk:
a.
Geen geval van ernstige bodemverontreiniging;
b.
Geen saneringsnoodzaak;
c.
Geval van ernstige bodemverontreiniging;
d.
Er is sprake van een saneringsnoodzaak, maar het bevoegd gezag
zal geen termijn noemen waarvoor met de saneringswerkzaamheden moet zijn
aangevangen;
e.
Urgent geval van ernstige bodemverontreiniging;
f.
Er is sprake van een saneringsnoodzaak en het bevoegd gezag
zal in een beschikking een termijn noemen waarvoor met de
saneringswerkzaamheden moet zijn aangevangen.

Wanneer melden bij het bevoegd
gezag:
Volgens artikel 28 van de Wet bodembescherming is het verplicht om
handelingen waarbij ernstig verontreinigde grond wordt verminderd of
verplaatst (ook tijdelijke verplaatsing) te melden bij het bevoegd gezag.
Reden hiervoor is dat het bevoegd gezag er voor moet zorgen dat alle
saneringen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden uitgevoerd en dat de
belangen van derden worden behartigd.
Conform dit artikel moeten handelingen die onder categorieën b en c staan
beschreven te allen tijde worden gemeld bij het bevoegd gezag. Daarnaast is
het ook verplicht om handelingen te melden van verontreinigingen die onder
categorie a vallen. Alleen is dit noodzakelijk indien de volgende
volumecriteria worden overschreden:
Melden van verontreinigingen die vallen onder categorie a is alleen
noodzakelijk indien:
Handelingen met meer dan 50 m3 verontreinigde grond;
Handelingen met meer dan 1000 m3 verontreinigd grondwater.
Indien de aangetroffen bodemverontreiniging niet meldingsplichtig is in het
kader van de Wet bodembescherming en u bent voornemens om de verontreiniging
te saneren, moet u dit in overleg met uw gemeente doen.
Wilt u weten wat u moet doen om uw handelingen te melden bij het bevoegd
gezag, zoek het bevoegd gezag
op binnen uw regio.
Wilt u meer weten wat het bevoegd gezag met uw melding doet, lees dan onze factheets.
Welke rapporten moet ik aan het
bevoegd gezag overleggen:
Als de verontreiniging valt in categorie b en c, en u moet, of u bent
voornemens om, de verontreiniging te saneren dan moet u aan het bevoegd gezag
inzichtelijk maken hoe u dit wilt doen. De resultaten uit het nader onderzoek
zijn hiervoor niet toereikend. Naast dit onderzoek is het in de meeste
situaties noodzakelijk dat een saneringsonderzoek wordt opgesteld. In dit
onderzoek wordt een afweging gemaakt van de meest doelmatige
saneringsvariant. Deze variant wordt vervolgens uitgewerkt in een saneringsplan.
Zowel het saneringsonderzoek als het saneringsplan moeten onderdeel uitmaken
van de melding. Nadat het bevoegd gezag heeft ingestemd met het
saneringsplan, kan met de saneringswerkzaamheden worden aangevangen. Na
afronding van de saneringswerkzaamheden is het noodzakelijk dat een
evaluatierapport wordt opgesteld. In een dergelijk onderzoek wordt het
saneringsresultaat beschreven. Op basis van dit rapport beoordeeld het
bevoegd gezag vervolgens of de voorgenomen saneringswerkzaamheden goed zijn
uitgevoerd en het gewenste saneringsresultaat is bereikt.

Welke mogelijke
saneringsvarianten zijn er:
Zoals u waarschijnlijk wel gelezen of gehoord heeft zijn er verschillende
methoden om een verontreiniging te saneren. Eind jaren 80 en een groot deel
van de jaren 90 stond saneren nog in het teken van verwijderen. Dit hield in
dat de verontreinigde grond werd afgegraven en het grondwater werd opgepompt
en gezuiverd. In de loop van de jaren 90 werd duidelijk dat verwijdering niet
altijd de beste methode was. De kosten waren vaak enorm hoog, de
bedrijfsvoering ondervond veel hinder en het milieurendement was in sommige
gevallen laag. Naar aanleiding van het project BEVER (Beleidsvernieuwing
Bodemsanering) is duidelijk geworden dat verwijdering niet altijd de beste
oplossing is. Doordat inmiddels deze aanpassingen ook zijn doorgevoerd in de
wetgeving zijn nu ook andere aanpakken mogelijk. Saneren staat nu voor het
wegnemen van risico's. Vroeger was de doelstelling van een sanering altijd
multifunctioneel saneren, zodat de bodem geschikt is voor elk gebruik. Nu is
de doelstelling functiegericht en kosteneffectief saneren.
De te gebruiken saneringsmethode is afhankelijk van de doelstelling en de
situatie op de locatie. Daarnaast zijn onder andere het type verontreiniging,
de grote van de verontreiniging en de bodemopbouw bepalend. Voorbeelden van
veelgebruikte saneringsmethoden zijn:
Immobiele verontreinigingen:
Immobiele verontreinigingen zijn verontreinigingen die in de grond zitten en
niet of nauwelijks uitlogen naar het grondwater. Deze verontreinigingen
kunnen (naast ontgraven) worden gesaneerd door isoleren of door het
aanbrengen van een leeflaag.
Isoleren.
Door het aanbrengen van een gesloten verharding zoals een betonvloer, worden
de contactmogelijkheden tussen verontreiniging en mens gereduceerd, waardoor
deze variant als een volwaardige saneringsvariant wordt beschouwd.
Leeflaag.
Niet in alle situaties is het wenselijk om een gesloten verharding aan te
brengen. Denk bijvoorbeeld aan uw tuin. In dit soort situaties is het
mogelijk om de verontreiniging te saneren middels het aanbrengen van een
schone leeflaag. In dit soort situaties wordt de verontreinigde toplaag
verwijderd en vervangen door schone grond. De dikte van de leeflaag en dus
ook de hoeveel te ontgraven grond wordt bepaald door de bestemming/gebruik
van de saneringslocatie.
Ontgraven.
Het geheel verwijderen van de verontreiniging is een variant die bijna niet
meer wordt toegepast. Toch kunnen er zich situaties voordoen waarbij het
uitvoeren van deze variant alsnog in overweging genomen moet worden. Het gaat
hierbij om zeer zwaar verontreinigde terreinen, waarbij ecologische risico's
aanwezig zijn die op basis van de bestemming en gebruik van de locatie
ontoelaatbaar zijn. Gelukkig komen deze situaties bijna nooit voor in
Nederland
Mobiele verontreinigingen
Mobiele verontreinigingen zijn verontreinigingen die voorkomen in het
grondwater. Dit kan zijn doordat de verontreiniging vanuit de grond uitlogen
naar het grondwater of goed oplosbaar zijn in het grondwater. Omdat het
grondwater stroomt, bestaat er een risico dat de verontreiniging zich door
middel van het grondwater verspreidt. De volgende saneringstechnieken kunnen
(afhankelijk van de soort verontreiniging en bodemopbouw) worden toegepast:
Ontgraven/onttrekken.
Deze variant wordt in het algemeen toegepast bij kleine verontreinigingen,
waarvoor het fysiek verwijderen en afvoeren van verontreinigde grond de beste
oplossing is of ter plaatse van locaties waar geen nadere saneringsvariant
mogelijk is. De vrijkomende grond wordt vervolgens gereinigd en, indien dit
niet tot de mogelijkheden behoort, gestort. Na het verwijderen van de
verontreinigde grond kan het nog aanwezige verontreinigde grondwater worden
onttrokken en na een eventuele zuivering worden geloosd op het riool.
In-situ.
Dit zijn technieken die verontreinigingen uit de bodem verwijderen zonder dat
daarbij grondverzet noodzakelijk is. Het gebruik van deze technieken is
daarom met name geschikt voor locaties waar sanering via afgraven problemen
met zich mee kan brengen. De in-situ technieken kunnen worden onderscheiden
in:
Verwijdering van verontreinigde stoffen via het grondwater
(pump & treat, in situ extractie of electroreclamatie);
Verwijdering van verontreinigde stoffen via bodemlucht
(bodemluchtextractie, persluchtinjectie, stoomstrippen);
Verwijdering van verontreinigde stoffen door biologische of
chemische omzetting (biorestauratie).
Gezien bovenstaande mogelijkheden, kunnen
in-situ technieken alleen worden toegepast bij bepaalde verontreinigingen.
Daarnaast moet de bodemopbouw zodanig zijn dat transport van stoffen mogelijk
is.
IBC.
Dit staat voor Isoleren, Beheren en Controleren. In plaats van een
verontreiniging te verwijderen, worden de risico's in de gaten gehouden of
weggenomen. Een voorbeeld hiervan is monitoren. Door een verontreiniging te
monitoren kan aangetoond worden dat een verontreiniging zich niet verder
verspreid. Hierdoor is het risico dus weggenomen. Indien wel verspreiding
optreed dienen er alsnog aanvullende saneringsmaatregelen te worden genomen.
Daarnaast kan een verontreiniging bijvoorbeeld worden afgeschermd of
ingepakt. Omdat de verontreiniging in de bodem achterblijft is de
consequentie van deze variant dat tot in lengte van dagen gecontroleerd moet
worden of de isolerende maatregelen ook blijven functioneren (periodieke
monitoring). Indien de isolerende maatregelen niet naar behoren functioneren
is het treffen van aanvullende sanerende maatregelen noodzakelijk. Daarnaast
heeft de locatie als gevolg van het achterblijven van een verontreiniging een
gebruiksbeperking, waardoor deze saneringsvariant alleen in zeer specifieke
gevallen (als geen andere saneringsmethodiek toegepast kan worden of
financieel onaantrekkelijk zijn) wordt toegepast.
In de meeste gevallen wordt een combinatie toegepast van twee of meerdere
saneringsvarianten, omdat dit het beste saneringsresultaat als gevolg heeft.
Wilt u meer informatie, neem dan contact op met één van onze adviseurs.

|