Contact Sitemap Home
      Bodemonderzoek
          Protocollen

 

Waar moet een onderzoek aan voldoen?

Om de bodemkwaliteit van een bepaalde locatie vast te leggen, worden er in het algemeen slechts een klein aantal grondboringen en peilbuizen geplaatst. Van deze boringen en peilbuizen worden vervolgens weer een beperkt aantal monsters genomen om in een laboratorium te analyseren. De reden hiervoor is dat het uitvoeren van een bodemonderzoek een kostbare aangelegenheid is en om de kosten zo laag mogelijk te houden worden er zo min mogelijk grondboringen geplaatst en analyses verricht. Om te kunnen waarborgen dat er na het uitvoeren van een bodemonderzoek een betrouwbare inschatting gemaakt kan worden van de bodemkwaliteit ter plaatse, moeten de onderzoeken uitgevoerd worden conform een vastgesteld protocol.

De bekendste protocollen staan hieronder vermeldt:

*       Verkennend bodemonderzoek conform de NVN 5740;

*       Vooronderzoek NVN 5725 (historisch onderzoek);

*       Verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740;

*       BOOT onderzoek;

*       Protocol Nulsituatie/BSB-onderzoek;

*       Protocol nader onderzoek.

Verkennend onderzoek volgens NVN 5740
Het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) bracht in 1991 de Nederlandse voornorm 'Bodem-Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek (NVN 5740) uit om eenduidigheid te krijgen bij de uitvoering van het verkennend onderzoek. Eén van de belangrijkste stappen van het verkennend bodemonderzoek is het opstellen van een juiste onderzoeksstrategie. Hiertoe wordt vooraf een hypothese opgesteld voor de aard van de verontreinigingen en de te verwachten omvang van deze stoffen over de locatie. Dit vind plaats in een vooronderzoek, waarin informatie wordt verzameld over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving, over de bodemomgeving, over de bodemgesteldheid en over de geohydrologische situatie. Dit vooronderzoek vormde een deel van NVN 5740.
NVN 5740 moest volgens NNI-schema (Nederlandse Normalisatie Instituut) na drie jaar worden beoordeeld. Daaruit bleek dat er behoefte was aan herziening. Hieruit is NEN 5740 voortgekomen.
De belangrijkste wijzigingen van NEN 5740 ten opzichte van NVN 5740 zijn:

*       het vooronderzoek maakt geen deel meer uit van NEN 5740. Parallel aan de NEN 5740 is dan ook het protocol vooronderzoek ontwikkeld (NVN 5725);

*       de analysepakketten voor grond en grondwater zijn gewijzigd. Bijvoorbeeld: analyse van minerale olie is wel een onderdeel het NEN-pakket, maar niet van het NVN-pakket;

*       onderzoeksstrategieën zijn op verschillende punten gewijzigd.

In 2001 is dit protocol komen te vervallen voor de NVN 5725 en de NEN 5740. Deze protocollen worden hieronder in het kort beschreven.

 

Vooronderzoek NVN 5725 (historisch onderzoek)
Deze norm is ontwikkeld als richtlijn voor vooronderzoek bij alle wettelijke aanleidingen van bodemonderzoek. In het vooronderzoek wordt gekeken naar het vroegere, huidige en toekomstige gebruik van de locatie met bodemopbouw en geohydrologie. Als resultaat van dit onderzoek komt een onderzoekshypothese ("verdachte" of "niet-verdachte" locaties) met een onderzoeksstrategie naar voren. Deze beide resultaten vormen weer de basis voor het verkennend bodemonderzoek. Daarnaast zijn er in het verleden verschillende protocollen opgesteld waarin de onderzoeksstrategie is beschreven voor specifieke gevallen. In de NVN 5725 zijn alle protocollen samengevoegd, waardoor dit protocol de basis vormt voor bijna alle onderzoeken. Met de inwerkingtreding van dit protocol is de NVN 5740 komen te vervallen.

 

Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740
In de NEN 5740 worden richtlijnen gegeven waar een verkennend onderzoek aan moet voldoen. Per situatie wordt een korte beschrijving gegeven van het aantal boringen, monsternemingen en analyses. Het vooronderzoek (historisch onderzoek) maakt geen deel meer uit van NEN 5740. Hiervoor is het aparte protocol, zoals hierboven staat beschreven, ontwikkeld (NVN 5725). Vóór de uitvoering van een verkennend onderzoek volgens NEN 5740 is het verplicht eerst een vooronderzoek uit te voeren volgens NVN 5725. Net als bij de NVN 5725 zijn in dit protocol diverse andere protocollen die zijn opgesteld voor specifieke gevallen, samengevoegd. Met de inwerkingtreding van dit protocol is de NVN 5740 komen te vervallen.

 

Protocol Nulsituatie/BSB-onderzoek
Het in dit protocol beschreven Nulsituatie/BSB-onderzoek is bedoeld voor drie situaties: als nulsituatie-onderzoek, inventariserend onderzoek BSB en een combinatie van nulsituatie-onderzoek en inventariserend onderzoek. De onderzoeksstrategie is afgeleid van NVN 5740 en combineert elementen uit twee strategieën (niet-verdachte terreinen en verdachte terreinen met heterogeen verdeelde verontreinigingen met bekende kernen) uit NVN 5740. Uitgaande van de in het vooronderzoek verzamelde informatie over het vroegere, huidige en toekomstige gebruik van de locatie wordt onderscheid gemaakt tussen verdachte en niet-verdachte terreindelen. Daarna wordt een onderzoeksstrategie opgesteld op basis waarvan de locatie daarna wordt onderzocht. Tevens wordt rekening gehouden met de in het vooronderzoek verzamelde informatie over voormalig, huidig en toekomstig gebruik, alsmede over de bodemgesteldheid en geohydrologische situatie. De meeste onderzoeken in het kader van de BSB-operatie zijn conform dit protocol uitgevoerd. Aangezien dit protocol eveneens is opgenomen in de NVN 5725 en NEN 5740 is dit protocol na inwerkingtreding van de NVN 5725 en de NEN 5740 komen te vervallen.

 

Protocol BOOT-onderzoek
Een andere veel gebruikte onderzoeksstrategie bij specifieke gevallen is het bodemonderzoek dat wordt uitgevoerd ter plaatse van ondergrondse opslagtanks, het zogenoemde BOOT onderzoek. In dit protocol is aangegeven hoeveel boringen ter plaatse van een tank verricht moeten worden. Dit aantal is afhankelijk van de grootte van de tank, aantal tanks en afstand tussen de tanks. Daarnaast zijn er voorschriften opgenomen met betrekking tot het aantal boringen ter plaatse van de vul-, ontluchtings-, en afleverpunten en zijn er voorschriften opgenomen voor het aantal boringen ter plaatse van het ondergrondse leidingenwerk.

 

Protocol nader onderzoek
Dit protocol beschrijft de onderzoeksopzet en de vereiste informatiekwaliteit voor de bepaling van de aard en concentratie van verontreinigende stoffen en de omvang van het geval van bodemverontreiniging en is daarmee de richtinggevende norm voor dit type onderzoek. Vanwege de brede toepasbaarheid is de onderzoeksaanpak niet gespitst op specifieke categorieën van verontreiniginggevallen. Voor een aantal van deze gevallen zijn bijzondere richtlijnen verschenen. Als een geval niet tot deze categorieën behoort, dient in principe het protocol voor nader onderzoek te worden gehanteerd. Wel wordt aangegeven dat hiervan gemotiveerd mag worden afgeweken als hiermee resultaten kunnen worden bereikt die voldoen aan de gestelde kwaliteitsnorm en voldoende zijn voor de besluitvorming door het bevoegd gezag.