|
| Bedrijfsinformatie | |||||
| Geschiedenis | |||||
GeschiedenisWat heeft BSB Zuid tot op heden gedaan? BSB is opgericht met als doel het in kaart brengen van alle bodemverontreiniging op in gebruik zijnde bedrijfsterreinen in Nederland en het ondersteunen en faciliteren van bedrijven bij het uitvoeren van een bodemonderzoek. Vanaf 1993 is BSB Zuid actief binnen de provincies Limburg, Noord Brabant en Zeeland. Tot en met 1995 heeft de stichting BSB alle zogenaamde prioritaire bedrijven benaderd, die vielen onder het ’Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen'. Om het project eerder af te kunnen ronden is vanaf 1996 een versnelling ingezet en zijn grootschalige bodemonderzoeksprojecten uitgevoerd, de zogenoemde clusterprojecten. Eind 2004 zullen alle bedrijven, die onder het genoemde Besluit vallen, benaderd zijn. Wilt u weten wat de resultaten zijn per provincie, klik dan op één van de hieronder genoemde provincie's: Op 5 januari 2001 is het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen gewijzigd. In het kort houdt deze wijziging in dat bedrijven die na 31 december 1989 op een locatie zijn gevestigd waar voorheen een bedrijf met bodembedreigende activiteiten was gevestigd, ook vallen onder dit besluit. Vanaf 2001 heeft BSB Zuid de ± 4.000 bedrijven die als gevolg van deze wijziging alsnog onder het besluit vallen, geïnformeerd en indien gewenst, begeleid en geadviseerd bij de uitvoering van het bodemonderzoek. Eind 2005 zal dit project door BSB Zuid afgerond worden. WerkwijzeIn beide gevallen werd het voor de bedrijven mogelijk gemaakt om via BSB Zuid in drie fasen inzicht te geven in de bodemkwaliteit. Eerst wordt een historisch onderzoek verricht, wat in BSB-termen een basisdocument wordt genoemd (fase 1). Een basisdocument kan gezien worden als een risico-inventarisatie. Welke activiteiten hebben er plaatsgevonden en waar liggen of lagen mogelijk verdachte verontreinigingsbronnen. Als er verdachte bronnen aanwezig zijn/waren of bodembedreigende activiteiten op de locatie zijn uitgevoerd, is het nodig om veldwerk uit te voeren (fase 2). Door middel van grond- en grondwateronderzoek (inventariserend onderzoek) wordt aangetoond of de verdachte bron(nen) al dan niet hebben geleid tot bodemverontreiniging. Indien uit het inventariserend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet is verontreinigd, is het uitvoeren van een vervolgonderzoek (nader bodemonderzoek) niet nodig. Indien er wel verontreinigingen worden aangetroffen, dan krijgt het bedrijf een uitsteltermijn waarvoor het nader onderzoek moet zijn uitgevoerd (fase 3). Deze uitsteltermijnen variëren van 1 tot 15 jaar (uiterlijk tot 2015) en worden door het bevoegd gezag gerespecteerd. Doordat de overheid en het gezamenlijk bedrijfsleven het belangrijk vinden dat ter plaatse van deze locatie's bodemonderzoek wordt uitgevoerd en omdat de overheid het belangrijk vindt dat de bedrijven hierbij door een onafhankelijke stichting worden begeleidt, is BSB Zuid in deze fase betaald door de overheid en de Kamers van Koophandel. Deze fase liep tot eind 1996, zodat bedrijven tot dit tijdstip kosteloos gebruik konden maken van de diensten van BSB West. Na dit tijdstip diende ieder bedrijf een bijdrage te leveren in de vorm van de deelnemersbijdrage of beheerskosten. De overheid blijft de bedrijven in deze fase 50% subsidiëren. Periodiek rapporteert BSB Zuid aan het bevoegd gezag. In deze rapportages wordt aangegeven welke bedrijven deelnemen aan de BSB-operatie en welke niet. Daarnaast worden de berekende uitsteltermijnen aan het bevoegd gezag gerapporteerd. Bedrijven die niet deelnemen of die de uitsteltermijnen niet naleven, lopen het risico om door het bevoegd gezag gedwongen te worden alsnog op korte termijn het bodemonderzoek uit te voeren. In BSB-termen wordt dit het flankerend beleid genoemd. |